In het werk van Joyce is sprake van bepaalde inhouden en betekenislagen.
Er is een gebruik van woordklank,
en nieuwe taalvormen.
Er zijn parallellen te constateren met de avant-garde kunst van de eerste decennia in de 20e eeuw, zowel in thematiek als vormgeving.
De hier opgenomen Joycefragmenten kunnen onderscheiden worden in drie grondthema's:
1. Vorm en klank experimenten (o.a. FW 20)
2. Archetypen van Vrouw/liefde/regen/water/rivier, etc (o.a. de hele Anna Livia Plurabelle, FW 153, 293)
3. Nacht, de droom, andere werkelijkheid. (FW 158, 74, 308, 403-404, 427, Hades)
De parallellen zijn te trekken op basis van formele kenmerken, maar ook op associatieve gronden.
Wij volgen hierin Carola Giedion-Welcker, die een aantal van de hierboven genoemde Joyce fragmenten verbindt met teksten van Schwitters, Arp en Aragon.