| < |
De plek als passage |
|
|
In de paragraaf “de plek en de herinnering” wordt ingegaan op het begrip “the first world” waarnaar Eliot in het eerste deel van Burnt Norton verwijst. Gesteld wordt dat ‘the first world” naar alle waarschijnlijkheid refereert aan het kunstwerk, dat voor romantici de plaats bij uitstek is waar het verloren paradijs wordt teruggevonden. Kunstwerk kan dan breed worden opgevat als bijvoorbeeld literatuur, poëzie, tekst (taal), muziek, architectuur, beeldende kunst. In deze zin lijkt het logisch om ook Four Quartets zelf te interpreteren als een poging om een kunstwerk te creëren dat als doorgang (passage) naar het verloren paradijs kan dienen. Als dit zou lukken, zou de mens verlost zijn. Vanuit een typische christelijke traditie, is verlossing een begrip dat regelmatig terugkeert in Four Quartets. Het gaat dan om verlossing van de tijd, van de druk van het verleden, en ook om verlossing van ervaringen van kwaad en schuld. Evenzo vanuit de christelijke traditie, wordt deze verlossing gezocht in het constant zoeken naar absolute kennis en een doorgaand zoeken naar systeem, eenheid en samenhang. Maar juist door het constante karakter van dit zoeken, is dit een contradictio in terminis. Onder kennis verstaat Eliot zowel westerse kennis als niet-westerse, esoterische en occulte kennis. Zelfs verstaat hij daaronder het kennisnemen van en ondergaan van rituelen. Maar, zo zegt hij (in “the interpretation of primitive ritual” 1913-1914) over dit laatste: “no ritual can be properly interpreted because our own values and sense of ‘facts’ are implicated in a quite different system of belief.” En “you can’t understand me. To understand my point of view, you have to believe it first.” Omdat Eliot in Four Quartets aan elk kwartet de naam van een plaats meegeeft, vallen tekst en plek in feite samen. Tekst is plek en omgekeerd. Plek en tekst zijn onverbrekelijk verbonden. Zoals het woord boom niet zou bestaan als er geen bomen zouden zijn. Het gaat dan heel direct om betekenisgeving. De tekst geeft betekenis aan (kennis over) de plek en de plek aan de tekst. In Four Quartets creëert Eliot verschillende soorten doorgangen, passages om het verloren paradijs weer terug te vinden. Dit zijn de zogeheten intra- en intertekstualiteit, verschillende vormen van tussengebieden en last but not least de stilte. In het gebruik van intra- en intertekstualiteit kan een vergelijking worden getrokken met de Franse filosoof Jacques Derrida, in het creëren van tussengebieden met de Franse dichter Charles Baudelaire en filosoof Walter Benjamin. In het terugtrekken in de stilte, wordt Eliot op zichzelf teruggeworpen.
Naast de onderlinge relaties tussen de teksten binnen het gedicht, kent het gedicht ook vele verwijzingen naar andere literaire bronnen. Ook in deze intertekstualiteit is uitgangspunt, dat steeds opnieuw lezen, steeds opnieuw inzichten biedt. Van belang hier om op te merken is, dat voor Eliot, evenals voor zijn tijdgenoten James Joyce en Thomas Mann, het bewustzijn van de mens in de taal ligt. Een eenmaking van de taal, kan leiden tot eenheid van de mens en eenheid van de wereld. Met andere woorden: tot het scheppen van orde in de chaos. (Zie hiervoor ook de paragraaf ‘Over T.S. Eliot’ en zijn hierin vermelde proefschrift over F.H. Bradley). Deze opvattingen behoren tot de kenmerken van een typische modernist. Het belangwekkende echter is, dat juist de intertekstualiteit van Eliot’s werk, hem tegelijkertijd tot een postmodernist pur sang maken. De intertekstualiteit van Four Quartets doet denken aan de opvattingen van de postmodernistische filosoof Jacques Derrida. Intertekstualiteit bij Derrida houdt in, dat “teksten niet naar de werkelijkheid, maar enkel naar andere teksten verwijzen”. Een andere, minder verstrekkende definitie van intertekstualiteit houdt in, dat: er sprake is van een belang van vroegere teksten voor de huidige tekst. In het geval van Four Quartets is dit laatste zeker het geval. In de filosofie van Derrida is het van belang, dat de spanning tussen wat er letterlijk staat – de retorica – en wat er niet staat maar toch zeer betekenisvol is – de logica-, aan de oppervlakte te brengen. Wellicht hecht Eliot inderdaad grotere betekenis aan wat het gedicht oproept, dan aan dat wat er staat. Dat wat het gedicht oproept kan worden beschouwd als een echo van filosofie, literatuur en poëzie waarbij naast de inhoud van het geschreven woord, Eliot ook kan doelen op de betekenis die deze teksten samen hebben gehad voor onze huidige en toekomstige kijk op de wereld en op ons menszijn. Wat wij zien en wat wij zijn wordt niet gevormd door de dagelijkse werkelijkheid, maar door ons visoen van de wereld. Het geschreven woord is werkelijker dan dat wat wij beschrijven. Wij worden niet gevormd door wat er is, maar door de wijze waarop wij beschrijven wat er is en de betekenis die wij dat toekennen.
Maar hoezeer ook de door Eliot gebezigde intra- en intertekstualiteit uitdrukkingsvorm zijn voor het zoeken naar kennis, en daarmee een doorgang vormen naar de wereldliteratuur als kunstwerk waarin het verloren paradijs kan worden hergevonden, het volstaat niet als enige uitleg voor zijn zoekwijze. De intra- en intertekstualiteit van Four Quartets doet recht aan de tamelijk planmatige wijze waarop kennis kan worden vergaard, maar geeft onvoldoende uitdrukking aan het gevoel van hulpeloosheid dat inherent aan de oorzaak van het zoeken is: namelijk een gemis. Meerdere passages in de tekst geven uitdrukking aan de idee van het zoeken, van het dwalen en de spanning die dit teweeg kan brengen. Al direct in het eerste kwartet is er bijvoorbeeld sprake van: “Footfalls echo in the memory Down the passage which we did not take Towards the door we never opened Into the rose-garden” (BN-I)
Het begrip ‘passage’ uit dit citaat kan zowel ‘doorgang’ als ‘fragment van een tekst’ betekenen. Daarnaast is het ook de benaming voor de 19e eeuwse overdekte grootstedelijke winkelgalerijen.
Met het gebruik van het
begrip ‘passage’, kan een link worden gelegd met het werk van Walter
Benjamin. Het lijkt zeer waarschijnlijk dat Eliot en Benjamin van elkaars
werk op de hoogte moeten zijn geweest. Niet alleen waren zij tijdgenoten,
maar tevens verkeerden beiden in internationale kringen. In de jaren 1925
tot 1930 waren bovendien beiden betrokken bij de vertaling van het
Franstalige gedicht ‘Anabase’ van Alexis Leger alias Saint-John Perse. Evenals Eliot, is ook Walter Benjamin sterk geïnspireerd door de 19e eeuwse schrijvers, waaronder Baudelaire. Eliot’s belangstelling voor Baudelaire blijkt onder meer uit het in 1930 gepubliceerde essay dat Eliot over hem schreef. In het werk van Benjamin spelen de 19e eeuwse (winkel)passage en met name Baudelaire’s beschrijvingen van Parijs, waarin de bourgeoisie door alle glitter en koopwaar in vervoering worden gebracht, een belangrijke rol. De passage zoals Benjamin deze hanteert, wordt geschaard onder de zogeheten ‘filosofie van de drempel’. Deze filosofie handelt over riten die te maken hebben met de intreding in een nieuwe orde, met de hergeboorte. In het werk van Benjamin gaat het dan om de overgang van een romantisch 19e eeuwse wereld naar een moderne, geïndustrialiseerde, rationele 20e eeuwse wereld. In het tijdschrift Raster (nr.44, 1988) wordt de ‘drempel’ omschreven als “een symbolisch domein, een grenszone, waarin de wetten en gewoonten van de aangrenzende gebieden niet van kracht zijn.” In de eerste helft van de 20e eeuw hanteerden meerdere schrijvers deze drempelfilosofie. Zo ook Benjamin, zo ook Eliot. Bij Eliot gaat het dan in extrema om het herhaald benoemen en uitwerken van al dan niet benoembare ‘tussengebieden’. Het ‘halfweg’ waarvan je niet weet waar het tussen ligt. Het nu tussen toen en straks, het hier tussen daar en elders, het heden tussen verleden en toekomst, het grijs tussen wit en zwart, het schemer tussen licht en donker. En niet benoembare ‘zones’ die liggen tussen nabij en veraf, begin en einde, voor en na, eeuwigheid en tijdelijkheid, bloei en verval, leven en dood, hemel en aarde, roerloosheid en beweging, geluid en stilte, denken en doen, spreken en zwijgen.
Wat betreft de relatie tussen de taal en de stilte, kan Eliot worden beschouwd als een ‘logocentrist’. Voor de structuur van het gedicht maakt hij gebruik van verschillende taalregisters uit verschillende periodes van verschillende dichters. In dit opzicht sluit hij, zoals eerder gezegd aan bij de wijze van werken van tijdgenoten als James Joyce en Thomas Mann. Maar toch, hoezeer Eliot ook hechtte aan de taal en de helende werking hiervan, uit diverse passages blijkt hoezeer hij deze ook weet te relativeren. Meerdere malen maakt hij gebruik van het woord ‘silence’. De betekenis die hij aan de stilte hecht in relatie tot het woord, komt volledig tot uitdrukking als hij schrijft: “Words, after speech, reach into the silence” (BN-V)
|
| > |
Lees ook: - Braembussche, A.A. van den: denken over kunst, 1996 |