Bert Schierbeek::

Er bestaat een vorm van beschouwen, waarin subject en object samenvallen in een voor het intellect oncontroleerbaar 'niets'. Zij schijnen beide verzonken in een leegte, die hun nochtans hun uiterlijke vorm laat behouden. Er is iets 'absoluuts' aan de gang.
Zeg dat het object een boom was, dan ziet de beschouwer de boom niet meer, maar boom en beschouwer zijn in elkaar opgegaan. Zij zijn één geworden. Zij zweven samen in een leegte, een vacuüm.

Leeg noch niet leeg kan met het noemen
een- noch geen van beide
om het aan te duiden noemen
wij het leeg


Een eerste stap in het vacuum.
Op dat ogenblik overschrijdt de mens de grens van 'niet-bestaan' en 'bestaan'. Hij bestaat en bestaat niet en zo ook alle dingen. Er is geen onderscheid meer. Hij bestaat bij de leegte waarin mens en boom bestaan. De absolute leegte geeft de vormen. In die vormen bestaan wij. Met andere woorden: het vormeloze is de bron van alle

vormen geworden. In het vacuüm is de vorm vormeloos en de gedachte gedachteloos. In het vacuüm zijn mens en boom één. Daar is de volledige identificatie van subject en object mogelijk. Leven in deze identificatie is leven in dit vacuüm. Voorwaarde daartoe is leeg zijn. 

De éénwording met alle dingen geschiedt daar waar geen vormen, voorstellingen of gedachten meer een belemmering zijn.

Het is een 'unio mystica'. En het zijn de mystici, die door alle eeuwen heen de weg en middelen gezocht hebben om dat te bereiken.





> vervolg