Umberto Eco, Zes wandelingen door fictieve bossen. Bert Bakker, Amsterdam. 1994.

"Als fictionele werelden zo prettig zijn, waarom proberen we dan niet de eigenlijke wereld te lezen alsof ze fictie was?
Of, als fictionele werelden zo klein en bedrieglijk prettig zijn, waarom proberen we dan niet fictionele werelden te bedenken die even complex, even tegenstrijdig en uitdagend zijn als de eigenlijke wereld?

Om de tweede vraag het eerst te beantwoorden: Dante, Rabelais, Shakespeare en Joyce hebben dit gedaan. En Nerval. Niemand leeft in het onmiddellijke heden. We verbinden zaken en gebeurtenissen met elkaar met behulp van de kleefkracht van het geheugen, zowel het persoonlijke als het collectieve geheugen (in de vorm van geschiedenis en mythen).

Deze kluwen van individueel en collectief geheugen verlengt onze levensduur door een uitbreiding in het verleden, en komt op ons over als een belofte van onsterfelijkheid. Wanneer we deelnemen aan dit collectieve geheugen (door de verhalen van mensen die ouder zijn dan wij, of door boeken),

zijn we net als Borges die naar de magische AIeph staart - het punt dat het gehele heelal omvat: in het verloop van een leven kunnen we, in zekere zin, met Napoleon huiveren als er een plotselinge windvlaag over Sint Helena waait, blij zijn met Hendrik V om de overwinning bij Azincourt, en met Caesar lijden als gevolg van het verraad van Brutus.
Het is daarom eenvoudig te begrijpen waarom fictie ons zo boeit.

Fictie biedt ons de kans ons vermogen om de wereld waar te nemen en het verleden te reconstrueren en onbegrensd te gebruiken. Fictie heeft dezelfde functie als spelen. Door het spel leren kinderen het leven, want ze bootsen situaties na waarin ze zich als volwassenen zullen bevinden.


Door middel van fictie oefenen we als volwassenen ons vermogen om onze ervaringen uit het verleden en die van tegenwoordig te structureren.

> vervolg