(klik voor vergroting)

Simon Vinkenoog over de jaren 60.

De jaren zestig brachten meerdere nieuwe fenomenen: de welvarende westerse jeugd doorbrak grenzen, massatoerisme nam toe, de popmuziek ontstond (jazz was altijd voor een ingewijde elite), in Londense kelders en aan de art school van Liverpool werd gewerkt aan een nieuwe generatie klanken.

Versnellingen, in samenleving en wetenschap, nieuwe technologische ontwikkelingen en futuristische of futurologische concepten. In Amsterdam gaf Constant Nieuwenhuis zijn verbeelding de macht door New Babylon te scheppen, de stad van de toekomst, waarin al het werk door machines zou worden verricht.

En het swingde, als de pest, in Amsterdam toen ik er eind 1956 terugkwam. Zoals Parijs een baken van licht en leven was geweest toen ik er liftend september 1948 binnenviel, zo gingen in Amsterdam weer andere dingen van start. De harde lessen van de taboes waren voorbij, je was hip of je was square en voor de rest was het geen meester of knecht: het nulpunt naderde. Lieverdjes alomme, als de Titaantjes van Nescio. `Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik `t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is.'

In Amsterdam belandde ik bij mensen, voor het merendeel jonger dan ik, die door de maatschappij als deviants werden geklasseerd, a-sociaal en afwijkend: alternatieve drop-outs - al werden die termen in het begin van de jaren `60 niet als zodanig gebruikt. Veel termen ontstonden in die jaren om tegen & subculturen te onderscheiden en categoriseren: nozems, langharigen, provo's, `werkschuw tuig', kabouters, hippies, autonomen.

Een avond werden wij Americain uitgezet, omdat de poëzie die over de tafel ging te kosmisch werd. Er werden poem rockets verzonden vanuit Amsterdam, terwijl het eerste Russische ruimteschip de Spoetnik rond de aarde vloog...

De Leidsepleinbevolking van die dagen was een andere dan het uitgaanspubliek dat heden ten dage die vierkante kilometer betreedt. Tenminste: door de kleinschaligheid der dingen was er een soort situationnistische dérive, die van Eylders en Reynders, langs sociëteit de Kring of dancing de Lucky Star liep, met uitlopers naar panden als Little Lexington van Bart Huges in de Lange Leidsedwarsstraat, het Vondelpark en de Hortus Botanicus - zoeken naar cannabis; de scenes in mijn boek Hoogseizoen uit 1962 beschreven.

Ook Sociëteit de Kring was, op enkele duistere uitzonderingen na, de enige plek waar leden en introducé(e)s na sluitingstijd van de cafés nog toegang hadden. Kunstzinnig volk, uiteraard met ballotage en voordracht, maar tevens onderdak, huis- en eetkamer, feest lokaal, vrijpartijen, vriendenkringen, schakers en kaartspelers, Frits Muller op klarinet, Donner tafeltennissend met Nooteboom, en tijdens een voordracht kreeg Johnny de Selfkicker (die ik er geintroduceerd had) een asbak naar zijn hoofd. Met Olivier Boelen en A. den Doolaard spraken wij een kleine menigte vanaf het balkon toe, die zich vervolgens naar het Museumplein begaf om bij de Amerikaanse en Sovjet-Russische consulaten, toen nog buren hoewel Koude Oorlog, een anti-atoombom-petitie aan te bieden.

Schrijvers, musici, vormgevers, tekenaars, grafici, fotografen, schilders en beeldhouwers, zangers, vrouwen en vriendinnen, vrolijk volk en altijd in voor een feestje, of wat nog niet een happening genoemd werd. In Amsterdam lieten de makers van Hoepla, de Fluxus-gasten van Willem de Ridder en zijn Hitweek, mensen als Ramses Shaffy en stadsjamaan Robert Jasper Grootveld zich gelden. Ook Opland en Pieter Brattinga organiseerden feesten, alle dagen feest!..

In februari 1966 hadden 26 dichters van zich laten horen in Poëzie in Carré. Er werd een rookbom gegooid. Tv-beelden over de gehele wereld, Grootveld's ideaal verwezenlijkt: Amsterdam PubliCity! Kom Klaas! Die zou Claus gaan heten, een goede man voor Beatrix.


The Age of Aquarius werd luid gezongen in Hair. Flower Power. Flights to Lowlands Paradise. High in de RAI. Flashing Fashion. Pot Art.
Zoveel terug te genieten bij de herinneringen aan die jaren: autonome plekken als Fantasio, Kosmos, Paradiso. Van de MadMaster-explosie van de happening Open het graf in 1962 tot mijn boek Weergaloos, dat in 1968 verscheen (ondertiteld: ontdekkingsreizen maar de waarheid) een en al belevenis, met altijd als uitgangspunt het Magisch Centrum Amsterdam.

Fragmenten uit 'Goede raad is vuur' (2009) en de inleiding van het decennium over de jaren 60 uit AM*DAM MadMaster, verschenen bij zijn 80ste verjaardag.)