'Het is duidelijk dat in de vroege jaren zestig Nederland onder de stroom van nieuwe ideeën heeft gestaan. Het werd een goed land om je bij de tijd te weten en te voelen’, aldus Wim Beeren, kunsthistoricus, museumfunctionaris en voormalig hoofdredacteur van het Museumjournaal, in een terugblik op het Nederlandse beeldende-kunstklimaat van dat decennium. Wim Beeren was directeur van het Stedelijk Museum van 1985 tot 1993.

De kunst straalde voor hem een nieuwe zin voor experiment en vernieuwing uit die parallel liep aan de vernieuwingsdrang die ze om zich heen tot ontwikkeling zagen komen. Het was een artistiek antwoord op en aanjager van de ingrijpende transformatie die Nederland in de jaren zestig doormaakte.

Hun ontvankelijke en alerte houding tegenover de kunst van de eigentijdse avant-garde vertaalde zich in tentoonstellingen, aankopen en publicaties. En dat steeds in een vroeg stadium en niet zelden eerder dan in de musea in de ons omringende landen.

Dankzij de opmerkzame opstelling in de museumwereld behoorde de Nederlandse museumbezoeker in die dagen tot de best geïnformeerde in West-Europa.
De ondernemingszin in de Nederlandse musea werd geflankeerd door de activiteiten van progressieve galeries als die van Riekje Swart en Art & Project (opgericht in 1964 respectievelijk 1968), belangrijke particuliere verzamelaars die zich ook op internationale podia bewogen. De innige betrekkingen van al deze individuen en instellingen tot de actuele avant-gardekunst uit Europa en de Verenigde Staten bezorgden het Nederlandse moderne kunstklimaat van de jaren zestig een tot dan toe ongekende (en ook later niet meer geëvenaarde) dynamiek.


Die levendigheid maakte ons land, de hoofdstad Amsterdam voorop, in de late jaren zestig een geliefde ontmoetings- en verblijfplaats voor internationale vertegenwoordigers van de neo-avant-garde en hun gevolg.

Zo groeide Nederland in die jaren uit tot een knooppunt in een internationaal netwerk rondom de eigentijdse avantgardekunst. Epicentrum en kroniek van het vitale en progressieve Nederlandse kunstklimaat was het tweemaandelijks verschijnend tijdschrift Museumjournaal, waarvan Beeren in de 60-er jaren hoofdredacteur was.

Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk Museum van 1945 tot 1963, herkende destijds de nieuwe tendenzen in Parijs onmiddellijk en stimuleerde de jonge kunstenaars in Nederland.



Sandberg stond een wezenlijke verandering in de samenleving voor en gaf jonge kunstenaars de ruimte om te exposeren o.a. in 1946 met “10 Jonge Schilders” en in 1949 de geruchtmakende expo van COBRA . Min of meer tegelijkertijd werd de zgn. Contraprestatie (vorm van sociale bijstand) ingevoerd door de overheid om de beroerde inkomenspositie van de meeste kunstenaars enigszin tegemoet te komen.

In 1956 kwam daar voor in de plaats de BKR (Beeldende Kunstenaars Regeling), met meer maatschappelijke garantie

Via de Experimentele Groep Holland – eigen tijdschrift Reflex-in 1948 ontstond de internationale COBRAgroep waarbij ook dichters en schrijvers waren aangesloten.

Toch moest de avant-garde in Amsterdam het vooral hebben van idealisten, wethouders en mecenassen, die ruimte beschikbaar stellen om te kunnen exposeren.

Er ontstond gaandeweg een nieuwe generatie kunstbemiddelaars/galeriehouders die hun nek durfden uit te steken.

(foto's: bron Internet)