De jaren zestig

Nederland schudde op zijn grondvesten. De jaren zestig worden algemeen gezien als de belangrijkste verandering sinds de Tweede Wereldoorlog.


Die tijdsaanduiding staat voor de ingrijpende veranderingen in de gezagsverhoudingen die toen plaatsgrepen.

Een los verband van studenten, actievoerders en kunstenaars slaagde er in zeer korte tijd in de maatschappij te hervormen.

De verhoudingen tussen vrouwen en mannen, ouders en kinderen, leidinggevenden en ondergeschikten, autoriteiten en burgers werden gelijkmatiger, egalitairder.
Dat ging niet zonder slag of stoot, maar bij die revolutie is maar één dode gevallen: de bouwvakker Jan Weggelaar die in 1966 tijdens een betoging overleed aan een hartaanval.


Toen de jaren zestig voorbij waren, was het ouderwetse Nederland van de jaren vijftig duchtig gemoderniseerd.
De spruitjeslucht was opgetrokken en het land was klaar voor een toekomst waarin kennis en eigen initiatief steeds belangrijker zouden worden.


De Amerikaanse historicus James Kennedy en zijn Nederlandse collega Hans Righart schreven beiden in 1995 een boek over die periode, en voor een deel stemmen hun conclusies overeen.

Kennedy beschouwt in zijn Nieuw Babylon in aanbouw niet de actievoerders, maar hun tegenstrevers als de belangrijkste vormgevers van de nieuwe samenleving. De autoriteiten en de regenten begrepen dat de nieuwe tijd niet was tegen te houden en bogen behendig mee.

Righart betoogt in De eindeloze jaren zestig dat aan het einde van de jaren vijftig de spanning tussen de officiéle moraal en het werkelijke leven van de Nederlanders hoog was opgelopen.

De uitbarsting was daarom begrijpelijk en de repressie relatief gering. Nederland had een radicaal, maar blijkbaar noodzakelijk moderniseringsproces achter de rug.

De culturele revolutie had de nodige hoofdbrekens gekost en menig ouder en politiecommissaris slapeloze nachten bezorgd. Maar het resultaat was een meer informele en meer democratische samenleving.


(tekeningen: Willem Holtrop)