Het Nibelungenlied


1

2

3

4

5

6

Het Nibelungenlied, inleiding

Het Nibelungenlied is omstreeks 1200-1205 ontstaan aan het hof van bisschop Wolfger von Erla van Passau, die resideerde van 1191 tot 1204.
De dichter van het Nibelungenlied baseert zich op de vele kronieken op basis van overleveringen uit de tijd van de Burgunden en Merovingers (400-600), daarnaast putte hij uit Franse en Russische sagen en legenden en de IJslandse Edda, een verzameling liederen en teksten ontstaan op IJsland rond 800, die ons informatie verschaft over de germaanse mythologie).
Hij verplaatste verhalen en personen naar zijn eigen tijd, rond 1200. Zijn helden zijn christelijke ridders in een goddeloze wereld.*)
Zijn schouwtoneel ligt in het Rijn-Donaulandschap.

De meeste personages in het Nibelungenlied zijn voor het merendeel gemodelleerd naar historische figuren, een enkeling is terug te voeren op de mythische wereld. Hen worden op dichterlijke wijze rollen toegekend. Het Nibelungenlied bestaat uit meer dan 2300 strofen, en heeft 39 hoofdstukken. De Nibelungen zijn de meer dan 10.000 mannen die onder leiding van koning Gunther, op uitnodiging van Kriemhilde van Worms naar Esztergom trokken. De route die ze namen komt overeen met die van de derde kruistocht (1189-1192, met o.a. Frederik Barbarossa)

Het Nibelungenlied, samenvatting

Het verhaal begint in Worms en speelt zich af aan het begin van de twaalfde eeuw. Daar wonen de Burgunden, geregeerd door koning Gunther, koning der Burgunden. Hij is vrijgezel en woont daar met twee broers en een ongetrouwde zuster, Kriemhilde. Worms ligt aan de Rijn. Een paar honderd kilometer stroomafwaarts ligt Xanten, aan de Rijn, in de Nederlanden. Daar woont de jonge Siegfried, die nieuwsgierig is naar Kriemhilde, over wier schoonheid hij heeft vernomen.

Siegfried dingt naar de hand van Kriemhilde, zuster van Gunther. Hij gaat naar Worms en maakt meteen indruk door een toernooi te winnen en in een korte veldslag een aanval van de Saksen af te slaan. Nu was het tijd de hand van Kriemhilde aan Gunther te vragen. Deze geeft zijn toestemming op voorwaarde dat Siegfried hem helpt bij de werving van de gunst van Brünhilde van IJsland, die hij als echtgenote wil. Nu is deze dame alleen te krijgen als men een wedstrijd met haar aangaat die bestaat uit het werpen van een rotsblok, het werpen van een speer en een tweegevecht op het zwaard. Dat zal Gunther nooit lukken, maar met een d.m.v. de tarnhelm onzichtbaar gemaakte Siegfried kan het niet mis gaan.

Er wordt geworpen en gevochten en Gunther wint; hij voert zijn verovering mee naar Worms. Het huwelijk wordt gelijktijdig met dat van Siegfried en Kriemhilde voltrokken; Brünhilde blijkt niet bepaald een willige echtgenote en de huwelijksnacht stelt dan ook niet veel voor. Gunther wordt door vrouwlief in een laken geknoopt en aan een kroonluchter opgehangen, zodat ze gevrijwaard blijft van zijn verdere avances. De koning beklaagt zich bij Siegfried, die hem beloofd te helpen.

Hij verovert, in de gedaante van de koning, Brünhilde en ontvreemdt haar gordel, waaraan zij haar kracht ontleent. Hij stopt de gordel in een kist op zijn eigen echtelijke slaapkamer. Het is onvermijdelijk dat Kriemhilde het ding vindt. Ze tooit zich er mee en ontmoet later Brünhilde, die haar vraagt hoe ze aan de gordel komt. Dan blijkt al gauw dat de twee vrouwen dezelfde man liefhebben.
De ontzette Brünhilde laat zich dan een moorddadig plan van Hagen influisteren. Hagen gaat naar Kriemhilde en vraagt haar naar de kwetsbare plek op de rug van haar man, onder het voorwendsel dat hij hem daar in de strijd zal beschermen. Zij zal de plek met een kruissteekje op zijn jas markeren.

Tijdens een jachtpartij die daarop wordt georganiseerd in goed overleg met Gunther, gaat Siegfried drinken bij een bron. Als hij zich bukt om van het frisse water te genieten treft Hagen hem met zijn speer op de kwetsbare plek. Als zijn lijk de volgende ochtend voor de dom van Worms ligt opgebaard, stelt Kriemhilde Hagen en haar broer Gunther verantwoordelijk voor de dood van haar man. Ze zweert haar man trouw te blijven tot in de dood en zich op zijn moordenaars te zullen wreken!

De kans op wraak komt vrij spoedig, als Rüdiger, een ridder uit Oostenrijk, namens de Hunnenkoning Etzel om de hand van Kriemhilde vraagt. Op aandringen van Rüdiger besluit de aanvankelijk weifelende vrouw op het aanzoek in te gaan. Na verloop van tijd vertrekt Kriemhilde met haar gevolg op weg naar de ontmoetingsplaats met Etzel, die haar tegemoet reist en haar huwt in Wenen.

Het paar reist vervolgens naar de burcht van Etzel in Gran. Na een dertienjarig verblijf als echtgenote van Etzel en heersend over de Hunnen, weet ze haar man te bewegen haar familie uit Worms voor een officieel bezoek uit te nodigen. De Burgunden zijn eerst argwanend, maar zien er een gebaar van verzoening in en gaan op weg naar Gran, nu Esztergom, de hoofdstad van het Hunnenland, nu Hongarije.

Er gaat een opvallend groot gezelschap op weg: Gunther, zijn broers, Hagen, diens broer Dankwart en de speelman Volker van Alzey met een gevolg van 1060 ridders en een leger van 9000 schildknapen Waternimfen, bij de bron van Kelsbach, waarschuwen Hagen: "Wer dahin reitet, den hat der Tod an der Hand".
Hij schenkt aan hun profetie geen geloof. Bij Moeringen (nu Großmehring} weet Hagen een argwanende veerman te misleiden; Hagen vermoordt hem en gebruikt de veerpont voor zijn gevolg. Aankomst in Gran.

Na gastvrij te zijn onthaald, ontstaat er al gauw wantrouwen tussen de Burgunden en de Hunnen. Kriemhilde lokt een gevecht uit, dat dermate escaleert dat niet alleen alle Burgunden, maar ook zij zelf en het kind dat zij van Etzel kreeg er het leven bij laten. De speelman Volker is de enige overlevende die terugkeert in Worms om verslag te doen van de tragische gebeurtenissen.

Hier eindigt het Nibelungenlied.

7

illustraties: Carl Otto Czeschka. Uit: Die Nibelungen dem deutschen Volke wiedererzählt von Franz Keim, 1908. 1 en 2: Die Fahrt zu Brunhild,
3 en 4: Der Streit der Königinnen,
5 en 6: Die Saalschlacht
7.Siegfrieds Dood, Max Slevogt 1924

*) "De wereld der Nibelungen is een goddeloze. Gedomineerd door machts- en erekwesties en omgeven door een uiterlijk vertoon van ceremonieel en in naam Christelijk”. Jörg Kastner (Universiteit van Passau / zie bibliografie)