Onderstaande tekst die zeer helder de geschiedenis uiteen zet en niets te raden overlaat, is de aanleiding geweest om in 2000 Berlijn te bezoeken. Hier is in 1999 het nieuwe joods museum gerealiseerd door Daniel Libeskind. Wij hebben het gebouw in zijn lege staat bezocht, een situatie waar zeer veel mensen gebruik van hebben gemaakt. Ter plekke zijn foto's genomen, vooraf en nadien is achtergrondinformatie verzameld. In veel van het werk van Libeskind speelt de leegte, het niet-aanwezige een grote rol. Dit joods museum en zijn plaats in de geschiedenis wordt mede daardoor bijzonder. Deze kunstgeografisch belangwekkende plek en zijn betekenissen zijn een mooi voorbeeld van het zorgvuldig hanteren van het geheugen en de herinnering. In 2009 hebben we museum opnieuw bezocht en bijgaande foto's gemaakt. Nico Hemelaar/Jan Zeven.

"....De locatie van het museum ligt aan de Lindestrasse, vlakbij het Rondel, voorheen het beroemde barokke kruispunt van de Wilhelmstrasse, de Friedriechstrasse en de Lindenstrasse, en naast het statige Collegienhaus.
Ik voelde dat het fysieke spoor van Berlijn niet het enige spoor was, maar dat er een onzichtbare matrix van relaties bestond. Dat er onzichtbare sporen van aan elkaar gerelateerde herinneringen bestonden. Ik voelde dat mensen, in het bijzonder bepaalde schrijvers, componisten en kunstenaars een verband legde tussen de Joodse traditie en de Duitse cultuur.
Ik vond deze verbanden en relaties door de plaatsen waar deze mensen woonden en werkten.
Zo verbond ik bijvoorbeeld Rachel Varnhagen met Friedriech Sleiermacher, en Paul Celan met Mies van der Rohe.
De lijnen die zo ontstonden vormde een irrationele matrix in de vorm van elkaar doorsnijdende driehoeken die enigszins lijkt op een misvormde Jodenster.

Een ander aspect is de componist Arnold Schonberg. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in Schonberg's muziek, in het bijzonder de muziek die hij schreef toen hij in Berlijn verbleef.
Zijn grootste werk, dat hij overigens niet voltooide, is de opera Mozes en Aaron. Op een of andere manier weerspiegelt de tekst de verhouding tussen Mozes en Aaron, tussen de geopenbaarde en onvoorstelbare waarheid en de uitgesproken waarheid van de massa.;

Deze weerspiegeling leidde tot een impasse waarin de muziek niet kon worden geschreven. Tegen het einde verstomt de muziek en zingt Mozes niet meer maar declameert: "O Wort, du Wort, das mir fehlt". Dit kan gezien worden als een oppositie van tekst ten opzichte van de gebruikelijke vorm van opera waar de tekst doorgaans wordt verdrongen door de zang en de muziek.
Als er gezongen wordt is de tekst niet te verstaan als het zingen ophoudt begrijpt men het missende woord dat wordt gestameld door Mozes, dit is de roep om het woord.

Een derde aspect was mijn interesse voor de namen van de mensen die gedeporteerd werden uit Berlijn tijdens WO II, de Holocaust. Ik kreeg uit Bonn twee zeer dikke delen van het zogenaamde "Gedenkbuch". Deze boeken zijn zeer indrukwekkend omdat ze louter en alleen namen bevatten, alleen namen, geboorte datums, deportatie datums en vermoedelijke plaatsen waar deze mensen vermoord zijn.
Ik zocht de namen van Berlijners en waar ze gestorven waren, in Riga, in Lodz, in alle concentratiekampen. Het vierde aspect was Walter Benjamins "One Way Street". Dit aspect zit verwerkt in de continue reeks van 60 secties langs het zig-zag volume. Elk van deze secties representeert een van de "Stations of the Star" zoals beschreven in de tekst "Apocalypse of Berlin" van Walter Benjamin.










Het gebouw meet meer dan 10.000 m2. De uitbreiding van het museum loopt door onder het bestaande gebouw en manifesteert zichzelf boven de grond als onafhankelijk van het bestaande gebouw. Deze onafhankelijkheid door gebondenheid staat symbool voor de onvermijdbare integratie van de Joodse en Berlijnse geschiedenis ondanks de tegenstellingen; ordening en chaos, de gekozen en de niet gekozene, de gehoorde en de niet gehoorde, de levende en de doden. De uitbreiding van het museum is ontworpen als een symbool. Een symbool dat het onzichtbare, de leegte, manifest maakt. Deze leegte en het onzichtbare zijn de structurele elementen die zijn samengebracht binnen de ruimte van Berlijn en tot uitdrukking gebracht in een architectuur waarin het onbenoemde bewaard blijft in de stilte van de namen. Simpel gezegd is het museum een zigzag met een constructieve rib. Deze rib is de leegte die door het Joods museum loopt. Deze leegte zal iedere bezoeker ervaren als zijn of haar eigen afwezige aanwezigheid. Dit is in essentie hoe het museum werkt. Het is dus niet een collage of een botsing of een simpele dialectiek maar een nieuw type van organisatie. Een organisatie rond een centrum dat er niet is, dat niet zichtbaar is. Dat wat niet zichtbaar is, is de rijkdom van de Joodse traditie in Berlijn, die vandaag de dag reduceerbaar is tot archieven en archeologisch materiaal sinds haar fysieke verdwijnen.

Ik geloof dat deze organisatie architectuur samenbrengt met vragen die nu relevant zijn voor de gehele mensheid. Wat ik heb geprobeerd te zeggen is dat de Joodse geschiedenis van Berlijn niet los kan worden gezien van de geschiedenis van de moderne tijd, de bestemming tot verbranding van de geschiedenis. Zij zijn aan elkaar gebonden. Niet gebonden door voor de hand liggende vormen maar veel meer gebonden door geloof, door een afwezigheid van betekenissen, door een afwezigheid van artefacten. Deze afwezigheid, de leegte, is het bindmiddel dat de gezamenlijke hoop van mensen bindt. Het is een concept dat het museum en de architectuur niet reduceert tot een losstaand of afstandelijk gedenkteken. Een concept dat de Joodse- en Berlijnse historie reïntegreert door middel van het onherstelbare vertrouwen. In de woorden van Thomas van Aquino: "substance of things hoped for; proof of things invisible". (het wezen is van het gehoopte; het bewijs van het onzichtbare)";

 

Voor het weergeven van de inhoud op deze pagina is een nieuwe versie van Adobe Flash Player vereist.

Adobe Flash Player ophalen

 

Biografie:
Hij is in het naoorlogse Polen geboren in 1946, en hij is nu Amerikaans staatsburger.
Daniel Libeskind studeerde muziek in Israël en New York. Hij verliet de muziek om architect te worden. Hij studeerde aan de Cooper Union in New York en haalde een graad in Geschiedenis en Filosofie aan het Essex universiteit in Engeland. Hij gaf les en lezingen op veel universiteiten in Noord Amerika, Europa, Japan, Australië en Zuid Amerika. In 1986 stichte en bestuurde hij Architecture lntermundium, een privé non-profit instituut voor architecuur in Milaan. Zijn werk is tentoongesteld in Europa, Israël, Japan en de V.S., en hij was een van de 7 internationale Architecten die geselecteerd waren voor de New Yorkse MOMA Deconstructivistische architectuur expositie in 1988.

Uit: Jüdisches Museum Berlin, Verlag der Kunst, 1999. ISBN 90-5705-098-6

Lees ook:

Aaron Betsky,  The Architecture of Exile.1988.  Archis nr. 7, 1998

 

< terug