Historie

Tijdens het Twaalfjarig bestand (1609-1621) werd het de Spaanse overheid duidelijk dat het niet meer zou lukken om met militaire macht het gezag in de Nederlanden ten noorden van de grote rivieren te herstellen. In een laatste poging om het tij te keren ontstond een gedurfd plan.

Door een kanaal aan te leggen van de Rijn naar de Maas, en van de Maas naar de Schelde, zou de scheepvaart een zuidelijker route naar de Noordzee kunnen nemen, die dan onder controle van de Spaanse overheid zou kunnen blijven staan.
Antwerpen zou dan de nieuwe overslaghaven voor het Duitse achterland worden; de havens van Amsterdam en Rotterdam zouden geen betekenis meer kunnen spelen. Het zou misschien zelfs mogelijk zijn om de gehele Rijn om te buigen naar de Maas, zodat de gehele waterhuishouding van Noord-Nederland in het ongerede zou raken.

     

In 1618 werden de eerste plannen gepresenteerd. Ze wekten groot enthousiasme aan het hof in Brussel.
In 1625 was één van de plannen zo ver uitgewerkt dat de daadwerkelijke uitvoering ter hand kon worden genomen.
Het ging om een plan om de Rijn met de Maas te verbinden door een kanaal te graven dat in Rheinberg zou beginnen en via het klooster Kamp naar Geldern zou lopen; vandaar zou het, tussen Arcen en Straelen door, aan de noordmuur van Venlo in de Maas uitmonden. Halverwege Rheinberg en Geldern, en halverwege Geldern en Venlo zou een grote schans met vier bolwerken worden gebouwd; daarnaast zouden langs het gehele tracé op regelmatige afstand 22 kleinere schansen worden aangelegd. Daarmee zou het kanaal voldoende beveiligd zijn voor eventuele aanvallen van Staatse troepen.

Onder leiding van de Gelderse stadhouder Hendrik van den Bergh werd met grote inzet begonnen met de bouw van het 50 kilometer lange kanaal dat, vernoemd naar de Spaanse regentes in Brussel, dochter van Philips II, Isabella Clara Eugenia, de naam 'Fossa Eugeniana' had gekregen.

De technische leiding was in handen van Giovanni de Medici. De eerste spade ging op 21 september 1626 de grond in. Al snel waren 8000 arbeiders tegelijkertijd aan het werk. In november waren de schansen reeds opgeworpen en de eerste helft van het tracé, tussen Rheinberg en Geldern, uitgegraven en met water gevuld.

Tijdens de bouw van de tweede helft begon de uitvoering ervan te haperen. Allereerst was dat het gevolg van het moeilijke terrein waardoorheen het kanaal moest worden aangelegd. Daarnaast werd de aanleg geplaagd door hinderlijke overvallen van Staatse troepen, die diverse schansen wisten in te nemen en met de grond gelijk maakten.
Belangrijker was echter dat de Spaanse regering in grote financiële problemen was geraakt (de Zilvervloot, 1628!) waardoor men de kosten die met de bouw waren gemoeid niet meer kon opbrengen. Zonder veel regelmaat werd nog tot 1629 doorgewerkt, maar in dat jaar werden alle activiteiten gestaakt.
De inname van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik in dat jaar zorgde er voor dat de Maas onder Staatse controle kwam, waardoor de Fossa niet meer de desastreuze economische effecten kon hebben die men had voorzien.
De inname van Venlo (in 1632) en Rheinberg (in 1633) door Frederik Hendrik maakten de Fossa Eugeniana tot een definitieve mislukking.

1648 eindigden zowel de 80jarige oorlog als ook de 30jarige oorlog, door de vrede van Münster en van Osnabrück. De Nederlanders hadden in het vredesverdrag bedongen dat het kanaalproject niet afgemaakt mocht worden. Daarnaast zouden er geen nieuwe versterkingen of kanalen worden aangelegd als niet alle regeringen toestemming gaven.

In het begin van de 19e eeuw wilde Napoleon om zijn handel te bevorderen een enorm kanalennetwerk aanleggen, dat zich zou uitstrekken van de Seine tot aan de Oostzee, en buiten Holland om.
Hij liet de restanten van de Fossa Eugeniana door zijn Ingenieurs onderzoeken en uitwerken in een nieuw project.
September 1804 kwam Napoleon het kanaalbed van de Fossa Eugeniana persoonlijk bekijken. Het besluit voor een Rijn-Maasverbinding viel uiteindelijk uit ten gunste van een tracé van Neuss naar Venlo. De werkzaamheden aan dit "Nordkanal" werden in 1810 stopgezet voor ze af waren, toen de Nederlanden deel gingen uitmaken van het Franse Keizerrijk.