James Joyce; taal, bronnen en methode

James Joyce, "Roots and branches"
Ter gelegenheid van de eerste Joyce-expositie die gehouden werd in Librairie-Galerie La Hune in Parijs (oktober 1949), liet de eigenaar Bernard Gheerbrant dit werk "roots and branches“ vervaardigen door Johnny Friedländer en Zao-Wou-Ki. De wortels betreffen de belangrijkste literaire bronnen waarop James Joyce zich baseert en de takken laten enkele boektitels van navolgers zien. Op achttien jarige leeftijd raakte Joyce (2 februari 1882-13 januari 1941) gefascineerd door de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen en publiceerde hij een artikel over het toneelstuk "Als wij doden ontwaken".

In 1907 onderging de roman "A portrait of the Artist as a young man", waar Joyce toen aan werkte, een grote verandering, hoofdstukken werden geschrapt en de schrijfstijl werd aangepast. Dit kwam door zijn toenemende interesse in het Franse Symbolisme en Naturalisme. De techniek van de "stream of consciousness" was voornamelijk geïnspireerd door de Russische schrijver Tolstoj en de Franse schrijver Edouard Dujardin.
Ulysses is gebaseerd op de Odyssee van de Griekse schrijver Homerus.
De cyclische structuur van Finnegans Wake is geïnspireerd door de Italiaanse filosoof Giambattista Vico.

Beluister en lees het door Joyce uitgesproken tekstfragment uit Ulysses, episode 7, Aeolus.  (klik)

Joyce evolueert met zijn literaire werk van realisme ( pogingen om de wereld te beschrijven)  naar de twijfel aan de mogelijkheid daaraan om uit te monden in de concentratie op de taal zelf.
Zowel Joyce als Dada zochten in hun taalexperimenten naar een breuk met de oude vormen en concentreerden zich meer op de klankkleur van de taal.
In de hoofdstukken Cyclops, Circe en Ithaca, geschreven tijdens zijn ballingschap in Zürich in 1919 en 1920, zie je een schrijfstijl die al vooruitloopt op de woekerende schriftuur van Finnegans Wake.
Samen met de episodes Aeolus, Sirens en Oxen of the Sun zijn dit de hoofdstukken die al vooruitwijzen naar Work in Progress dat tenslotte als Finnegans Wake verschijnt.

Ulysses eindigt met vermelding van de steden waar het boek is geschreven. Het noemen van plaats en tijd benadrukt het belang dat Joyce hechtte aan de steden waar hij zijn boeken schreef. Joyce's Duitse schrijfwijze van Zürich, anders dan de Engelse, waar het trema op de u wegvalt, impliceert het behoud van de talige identiteit van deze stad. Deed Ulysses al de grenzen van de romantechniek geweld aan, Finnegans Wake gaat nog veel verder. Het leek alsof in Ulysses alle mogelijkheden die de taal biedt benut werden, maar Finnegans Wake voert de taal voorbij de grenzen van de communicatie.
Ulysses is het boek van de dag, Finnegans Wake is het boek van de nacht, het staat in het teken van de slaap en de droom.
Joyce schreef zijn boek van de nacht grotendeels in de lichtstad Parijs, na de eerste wereldoorlog het centrum van de beeldende kunst en van de Engelse en Amerikaanse literatuur.
Joyce werkte zeventien jaar (tussen 1923 en 1939) aan zijn Work in Progress en publiceerde vanaf het begin delen van de tekst in tijdschriften o.a. in Transition.

Finnegans Wake is geconstrueerd volgens de logica van een droom waarin de identiteit van mensen niet duidelijk is omlijnd en de verschillende identiteiten onderling worden verwisseld. Een droom waarin een idee of de herinnering aan een feit gestalte krijgt in een reeks symbolen die op een vreemde manier met elkaar zijn verbonden. Hetzelfde gebeurt met de woorden. Ze worden op de meest vrije en onverwachte wijze samengevoegd om met een enkele term een reeks onverenigbare ideeën te suggereren. Een nachtelijk verhaal over metamorfosen en zonder duidelijke grenzen tussen de gebeurtenissen. Alles vervloeit door het taalspel. Finnegans Wake is in een nieuwe taal geschreven. De basis van het boek is het Engels, maar dat wordt voortdurend op verschillende manieren aangetast. Enerzijds schuift Joyce woorden over en in elkaar zodat eenzelfde reeks letters twee of meer woorden uit het woordenboek kan bevatten, anderzijds vermengt Joyce woorden en uitdrukkingen uit andere talen in zijn tekst.

Finnegans Wake houdt zich niet aan een aantal van de belangrijkste conventies van een traditionele roman: een spreker wordt niet altijd geïdentificeerd, de verteller is niet neutraal, maar blijkt bijna altijd een personage in het boek te zijn, een spreker kan midden in een tekst door een andere vervangen worden, twee sprekers kunnen zelfs samen aan het woord zijn of de spreker neemt de eigenaardigheden van de ander over. Het is zelfs de vraag of we wel over personages kunnen spreken in Finnegans Wake.
Het lijkt erop of de complete wereldbevolking in het boek is opgenomen; bijbelse en mythische figuren, goden en helden, fabelfiguren, Romeinse keizers en pausen, heiligen, personages uit de wereldliteratuur of uit het werk van Joyce zelf, historische figuren, vrienden en familieleden, politici, zangers, componisten, filosofen, beeldend kunstenaars, schrijvers...
Deze mensenmassa kan verdeeld worden in grote groepen, waarvoor Joyce symbolen gebruikte en opschreef in zijn notitieboekjes (zie symbolen onderaan bladzijde 299 in Finnegans Wake).

Finnegans Wake is een veelheid van verhalen, een raamvertelling zonder raam, een in associatieketens geslagen woordspelingenmonster. Finnegans Wake onttrekt zich aan de eenduidige interpretatie. Het boek nodigt uit tot een heel ander soort lezen. Door zijn cirkelstructuur kent het geen begin of einde; de laatste woorden van het boek sluiten perfect aan bij de eerste. (de illustratie - te vinden in FW -  is een schematische combinatie van de plattegrond van Dublin, een geometrische probleemstelling, het symbool "vesica pisces") Joyce was geen fantast, maar een ingenieur, een arrangeur van grondstoffen. Hij verzamelde op een zakelijke manier zijn materiaal waarvan de vorm hem boeide, terwijl hij de inhoud ervan in wezen niet geloofde. En als de drukker niet was gaan drukken en de schrijver niet was overleden, was Joyce nu nog bezig met toevoegen aan Finnegans Wake. Het boek was letterlijk een Work in Progress.








enkele pagina's uit de vele notebooks, die aan de basis lagen van FW

James Joyce in Zürich en Parijs

Zürich30 juni 1915 kwam James Joyce met zijn vrouw Nora en hun twee kinderen vanuit Triëst naar het neutrale Zwitserland en vestigde zich in Zürich. Joyce bracht daar veel tijd door in de café-restaurants. Al in het begin van zijn verblijf in Zürich kwam Joyce in het restaurant Zum Weissen Kreuz, Seefeldstrasse. Daar verzamelden zich de leden van de vereniging "Club des Etrangers“, waaronder latere leerlingen van Joyce die veelal vrienden werden. Vrij snel daarna werd Café-Restaurant Pfauen, naast het Pfauentheater (het tegenwoordige Schauspielhaus) favoriet.

Maar Joyce kwam ook regelmatig in andere cafés zoals Odeon en Terrasse.
Westelijk van de Limmat bezocht Joyce regelmatig restaurant Augustiner aan de Augustinergasse vanwege het betaalbare middagmenu. Aan de andere kant van de Limmat bevonden zich een aantal eetcafés met een degelijke keuken, zoals het Zunfthaus zur Zimmerleuten, waar Joyce bij speciale gelegenheden naar toe ging. Door de vroege sluitingstijd werden de avonden die vaak begonnen waren bij Pfauen of Augustiner regelmatig voortgezet in zijn huis, het atelier van Frank Budgen en zelfs eenmaal in het Britse consulaat. Menige dialoog die bij Joyce vaak zo verbazingwekkend authentiek lijken vonden hun oorsprong in het café waar hij zijn medemensen kon observeren. Voor Joyce en zijn vrienden waren cafés geen plekken waar je je netjes moest gedragen, hij beschouwde ze net als de Britse pubs waar men zonder sociaal onderscheid met elkaar om kon gaan, als een verlengstuk van de huiskamer. Veel van zijn vrienden verhaalden over zijn hardop lachen en dat hij liederen zong.

Pas in de 30er jaren kwam Joyce in de gerenommeerde Kronenhalle. Hij had meer geld te verteren en was inmiddels een bekende persoon, weliswaar in een kleine culturele kring. Buiten dit alles was Joyce vaak in de bibliotheek van het “Zürcher Museumgesellschaft” aan de Limmatquai te vinden, hij las daar de engelse kranten. Joyce kende persoonlijk een aantal vooruitstrevende musici, en hij was bevriend met Antheil en Otto Luening, die de eerste componisten waren van de "musique concrète". Joyce woonde in Zürich naast Philip Jarnach, en ontmoette Busoni waarmee Jarnach samenwerkte. De meeste waardering had Joyce voor de eigentijdse componisten Othmar Schoeck en Antheil, die op zijn beurt weer bevriend was met Ezra Pound.
Joyce probeerde Antheil over te halen om een opera te schrijven gebaseerd op Kaïn van Byron, en ook over de Ulysses episode Cyclops. Hiervan bestaan nog geschreven muziekfragmenten met daarin een rol voor pianola's en slagwerk, net als in zijn Ballet Mécanique uit 1921. (zie bij Dada in Parijs)

Parijs In de zomer van 1920 verhuisde de familie Joyce naar Parijs op uitnodiging van Ezra Pound. In de lichtstad schreef Joyce de laatste vier episodes van Ulysses en begon eind 1922, begin 1923 aan Work in Progress, jarenlang de werktitel voor Finnegans Wake. Toen Joyce in 1926 Eugene Jolas ontmoette, kreeg hij de mogelijkheid om Work in Progress in delen te publiceren tussen 1927 en 1938 in het literaire tijdschrift Transition. Zestien jaar schrijft Joyce aan Finnegans Wake en in die tijd schrijft hij vijfenvijftig schriftjes, van stenokladblokjes tot kasboeken vol met notities, uiteenlopend van krantenberichten tot uitspraken van zijn vrouw Nora, die de grondstof van zijn boek vormden. Gedurende de compositie van zijn Work in Progress werd Joyce geplaagd door gezondheids- en familieproblemen. Tussen 1923 en 1930 onderging Joyce een tiental oog-operaties. Zijn vader overleed in 1931. Bij zijn dochter Lucia werd in 1932 schizofrenie geconstateerd. Maar ondanks deze tegenslagen ging de halfblinde Ierse bard onverdroten voort met schrijven. Work in Progress werd slecht ontvangen. met name zijn broer Stanislaus en de schrijver Ezra Pound stonden er kritisch tegenover. Maar er waren ook positieve geluiden. In 1931 las Joyce in het openbaar voor uit Anna Livia Plurabelle in het engels en Adrienne Monnier in het frans. In 1934 werd in een tijdelijke ruimte naast het beroemde restaurant La Coupole, een presentatie van Work in Progress georganiseerd door vrienden van Joyce. Louis Gillet, Leon-Paul Farque en Edouard Dujardin waren de sprekers die het werk van Joyce verdedigden. Het publiek bestond uit onder andere Samuel Becket, George Antheil en Philippe Soupault. Toen de familie Joyce in 1939 Parijs verliet voor de naderende dreiging van de oorlog hadden ze op vele plekken in Parijs ( en tussendoor ook elders in Europa) gewoond voor kortere of langere tijd. Maar de stad Parijs was voor Joyce een stabiele basis. Belangrijk voor Joyce was Sylvia Beach (met haar boekwinkel Shakespeare en Company) die Joyce liet kennismaken met de Parijse literaire wereld en Ulysses publiceerde op 2 februari 1922, zijn verjaardag. Ook Adrienne Monnier en Harriet Shaw Weaver steunden Joyce artistiek en financieel. Later raakte hij ook bevriend met Lucie en Paul Léon, aan wie hij veel van zijn manuscripten toevertrouwde tijdens de Duitse bezetting van Parijs.
Op zijn verjaardag, twee februari 1939, in het huis van Jolas in Neuilly, onthulde Joyce de titel van zijn Work in Progress : Finnegans Wake, waaraan hij had gewerkt vanaf eind 1922, het werd in mei 1939 gepubliceerd door de Londense uitgever Faber en Faber.

James Joyce; Zürich en Parijs als literaire bron

Niet alleen is Dublin vereeuwigd in Ulysses, maar ook in Finnegans Wake komt Dublin telkenmale terug. Dat geldt ook voor Zürich, waar het merendeel van de  episoden van Ulysses is geschreven en voor Parijs waar Ulysses tenslotte is uitgegeven en Finnegans Wake in z'n geheel is geschreven.
Vanzelfsprekend komen de steden in de meest uiteenlopende "Wakeaanse" woordspelingen aan bod.
Hieronder een keuze uit vele. Zürich:

Het woord Zürich komt maar één keer voor in Finnegans Wake, in een soort gebroken Iers vermengd met Duits:
Wheil he was, swishing beesnest with blessure, and swobbing broguen eeriesh myth brockendootsch, making his reporterage on Der Fall Adams for the Frankofurto Siding, a Fastland payrodicule, and er, consstated that one had on him the Lynn O'Brien, a meltoned lammswolle, disturbed, and wider he might the same zurichschicken other he would with tosend and obertosend tonnowatters, one monkey's damages become.  (FW 70.3-9)

Twee toespelingen op de naam Zürich, Tugorios is een adjectief dat zwitserland en in het bijzonder Zürich beschrijft. Er komen leeuwen voor Het stadswapen van Zürich (net als venetie en Lyon) «Tugurios-in-NewrobeorTukurias-in-Ashies» betekent een land dat zich zowel in «Newrobe» (Europa) als ook in «Ashies» (Azie) bevindt; zoals Turkije en Konstantinopel.

"Your temple, sus in cribro! Semperexcommunicambiambisumers. Tugurios-in-Newrobe or Tukurias-in-Ashies. Novarome, my creature, blievend bleives. My building space in lyonine city is always to let to leonlike Men."

Tim Finnegan (Finn McCool, held uit de Ierse Sagen, waar Joyce de spot mee dreef) was onder de indruk gekomen van de SechseläutenBöögg. (fokloristisch feest met optochten van grote poppen) "Hahahaha, Mister Funn, you're going to be  fined again!"(FW 5.11-12)  "0ho, oho, Mester Begge,  you're about to be bagged in the bog again. (FW 58.16-17)

Joyce was vooral geïnteresseerd in de samenhang van "sex", "bell", vrouwelijke schoonheid en klokgelui, beschreven als "pingpong".  Het Sechseläuten motief wordt prominent beschreven aan het eind van het hoofdstuk Anna Livia Plurabelle.
"There's the Belle for Sexaloitez!" is een antwoord op de vraag "Fieluhr?" (wie viel Uhr ist es?) 

Behalve deze vraag verwijst dit ook nog naar "fiel er?" en "feel her?".
".....don't you kennet or haven't I told you every telling has a taling and that's the he and the she of it. Look, look, the dusk is growing! My branches lofty are taking root. And my cold cher's gone ashley. Fieluhr? Filou! What age is at? It saon is late. 'Tis endless now senne eye or erewone last saw Waterhouse's clogh. They took it asunder, I hurd thum sigh. When will they reassemble it? O, my back, my back, my bach! I'd want to go to Aches-les-Pains. Pingpong! There's the Belle for Sexaloitez! And Concepta de Send-us-pray!....." 








lees het door Joyce uitgesproken tekstfragment
uit Finnegans Wake, Anna Livia Plurabelle (klik)


Schweizerdjoytsch?

Joyce was zeer geïnteresseerd in vreemde talen, de meeste daarvan beheerste hij niet of nauwelijks.
Hij hield lijsten bij van woorden uit bijzondere talen (daaronder ook retoromaans) die hij gebruikte voor zijn boek. Er zijn geen lijsten van talen die hij wel sprak, engels, frans, italiaans en ook duits, zelfs niet voor Schweizerdeutsch, dat hij tamelijk goed verstond.
Nu is Schweizerdeutsch een taal met bijzondere eigenschappen. Ten eerste is het een dialect dat regionaal afwijkt, maar geen wezenlijk sociaal onderscheid aangeeft. Ten tweede is het vooral een gesproken taal, en ten derde betreft het bij dit dialect om een vorm van Duits dat in een ontwikkeling is blijven steken.
Joyce interesseerde zich voor de uitdrukkingen die met "eten" te maken hadden, hij mengde Duits en Schweizerdeutsch: "This, of course, also explains why we were taught to play in the child­hood: Der Haensli ist ein Butterbrot, mein Butterbrot! Und Koebi iss dein Schtinkenkot! Ja!Ja!ja!" (FW 163.4-7)

Parijs:
Joyce speelde met het gerucht dat hij de oprichter zou zijn van de dadaïstisch-surrealistische beweging door HCE (een van de hoofdpersonen in Finnegans Wake) tot middelpunt te maken van een literaire salon bezocht door dadaïsten en surrealisten. "...getting on to 'dadaddy again, as them we're ne'er free of." (FW 496.28)
Deze salon de espera beschreven als een plek waar "lodes of ores flocking fast to Mount Maximagnetic, afeerd he was a gunner but affaird to stay away." (FW 497.16/17), waarschijnlijk een verwijzing naar Les Champs Magnétiques, het eerste surrealisiche geschrift samengesteld door Philippe Soupault en André Breton, en misschien ook naar Max Ernst, die zichzelf "dadamax" noemde.
Deze verwijzing wordt nog versterkt door We are again in the magnetic field (FW 501.17). De salon wordt bezocht door Merrionites (navolgers van de futurist Marinetti), Dumstdumbdrummers (de lezingen in Cabaret Voltaire in Zurich gingen vaak vergezeld van ritmisch getrommel), Cabraïsts (deelnemers aan de eerste dada activiteiten in Cabaret Voltaire te Zürich) en Ballymunites (samenklittende volgelingen van Hugo Ball). (FW 497.17/19/20)

Een beschrijving van een boot en zijn passagiers:  "Ack, ack, ack. With which clap, trap, and soddenment, three to a loaf, our mutual friends the fender and the bottle at the Bate seem to be implicitly in the same bateau" (FW 65).
Gedeelten uit deze beschrijving herinneren aan belangrijke statements en uigangspunten van de surrealisten, "Clap" is als een zinspeling op René Crevel's uitspraak in de tweede uitgave van de "Révolution Surréaliste" dat iedereen meer of minder syfilitisch is. 'Three to a loaf', en 'soddenment' refereren aan de niet onderbouwde beschuldiging van Paul Claudel in zijn  Il Secolo interview dat surrealisme and dadaïsme slechts één ding betekende: `pederasme.'
`Bateau' zinspeelt op het belang dat de eerste surrealisten hechten aan Rimbaud's  "Le Bateau Ivre", dat zij beschouwden als een voorbeeldige tekst.
Volgt  het commentaar dat the amount of all those sort of things ... has been going on onceaday in and twiceaday out every other nachtistag among all kinds of promiscious individuals at all ages in private homes and reeboos publikiss and allover all and elsewhere throughout secular sequence the country over and overabroad has been particularly stupendous (FW 66).

Joyce heeft het hier over de vele publieke relletjes waar de surrealisten de schuld van kregen, hij noemde de groep "Federals",  "Uniteds", "Transports Unions for Exultations of Triumphants Ecstasies" (FW 66).

De "Surrealisten Centrale" was een kantoor zoals de vakbonden gebruikten om vergaderingen te houden, leden ingeschreven werden en propaganda werd verspreid. Het bevond zich op nummer 15 in de rue Grenelle. Joyce kwam er regelmatig langs, het lag tussen zijn huis en St. Germain des Prés.

De naam Parijs in Finnegans Wake - Sprekend met een frans accent: And spoke she to the dour in her petty perusienne: Mark the Wans,..(FW 21.17/18)

- Franse tekst: tout est sacré pour un sacreur, femme à barbe ou hommes nourrice (FW 81.28/29)

- Eiffel: Holy Saint Eiffel, the very phoenix! (FW 88.24)

- Verwijzing naar Parijs: Parish, en Safely and soundly soccered that feminine Parish Poser, (FW 93.14)

- Parisienne: Notre Dame de la Ville a circusfix riding her Parisienne’s cockneze.  (FW 102.13/18)

- Notre Dame: Notre Dame du Bon Marché  (FW 112.32)

- Champ de Mors, verwijzing naar Champ de Mars:  ..an Irish plot in the Champ de Mors, not?  (FW 119.32)

- Samentrekking van onvergankelijk en Parijs:  and eats the unparishable sow to styve off reglar rack  (FW 130.5)

- Samentrekking van paleontologisch en Parijs:  That school of neoitalian or paleoparisen schola of tinkers. (FW 151.9)

- Parijs: Parysis, tu sais, crucycrooks, belongs to him who parises himself (FW 155.16/17)

- Paname, bargoens in de 20er jaren voor Parijs, Turricum is de latijnse naam voor Zurich: …and catch the Paname-
  Turricum and regain that absendee tarry easty, …
(FW 228.22)

- La Chapelle: that was the belle of La Chapelle, shapely Liselle,..(FW 290.2)

James Joyce; gedocumenteerde ontmoetingen

Gedocumenteerde ontmoetingen, een keuze.

Ezra Pound haalde Joyce over om naar Parijs te verhuizen, ontving hem en had een hotel gereserveerd. Vervolgens stelde hij Joyce voor aan Sylvia Beach, die “Ulysses” zou publiceren.

Valèrie Larbaud: lezersavond met James Joyce in de boekhandel van Sylvia Beach: Shakespeare & Company (1921).

Louis Aragon: "Toujours à Montparnasse, je voyais aussi Cummings qui était pour moi le plus grand poète vivant des Ètats-Unis et aussi souvent que je le pouvais, James Joyce".

Man Ray: heeft James Joyce gefotografeerd op 17 maart 1922 in zijn studio in de rue Delambre. (afb.1)
Constantin Brancusi tekende portretten van Joyce omstreeks 1929 (afb.2,3); hij was bevriend met Marcel Duchamp en Mary Reynolds.

Marcel Duchamp schreef over Mary Reynolds:  "Ze was getuige van de dadamanifestaties en het begin van het surrealisme in 1924. Nauw bevriend met André Breton, Raymond Queneau, Jean Cocteau, Djuna Barnes, James Joyce, Alexander Calder, Joan Miró, Jacques Duchamp-Villon en vele andere belangrijke mensen uit die tijd".

Philippe Soupault: "Nous allions souvent ensemble au théâtre qu'il aimait comme tout bon Irlandais.....
Au théâtre, installé au premier rang - c'était, pensait-on à cause de sa très mauvaise vue - il surveillait le jeu des acteurs et les écoutait avec soin. Seuls les enfants peuvent se montrer aussi passionnément attentifs que Joyce."

Robert McAlmon
organiseerde een feestelijke bijeenkomst voor William Carlos Williams in het restaurant Les Trianons. Williams zat tegenover Joyce, tussen de andere gasten trof hij vele oude bekenden als Marcel Duchamp, Mina Loy, en Man Ray.

Carola Giedion-Welcker: bevriend met Joyce. In haar literair-wetenschappelijke werk ("Work in Progress." Ein sprachliches Experiment von James Joyce, 1929) legt ze verbanden tussen teksten van Joyce en teksten van dadaïstische kunstenaars en auteurs. (zie ook bij Parijs, Opmerkelijke parallellen, over onze selectie)