Haarlem, 11 januari.

Zaal Rosehaghe.

De zaal maakte deel uit van het Verenigings-gebouw, Hoofmanstraat 12b, in de woonwijk Rosehaghe.


Begin twintiger jaren gebouwd onder architectuur van Ir J.B. van Loghem.
Van Loghem was socialist en volgens hem was er een sterke samenhang tussen architectuur en politiek.
Om die reden sloot hij zich aan bij de Bond van revolutionair socialistische intellectuelen, net als bijvoorbeeld Van Doesburg en Berlage.

Theo van Doesburg nam contact op met van Loghem en via hem werd Otto van Tussenbroek benaderd, een man met organisatietalent en initiatiefnemer van vele exposities in Haarlem. Onmiddellijk werden een 4tal kunstenaars bereid gevonden om een wervende tekst te ondertekenen. Van Loghem zorgde als bouwmeester van het complex Rosehaghe voor toestemming van de woningbouwvereniging om de zaal te kunnen benutten.


Uit de NRC, 10 januari 1923:


- De heeren Hans de Bock, musicus, Herman Kruyder, kunstschilder, J.B. van Loghem, bouwmeester, Theo van Reyn, beeldhouwer, Job Steynen, letterkundige en O. van Tussenbroek, kunstnijvere, beleggen te Haarlem den 11en dezer een Soirée dada, waar Kurt Schwitters, bekend als voorman der dadaïsten in Duitschland, zijn medewerking zal verleenen.
Mevrouw Petro van Doesburg zal dadaïstische muziek ten gehoore brengen, Vilmos Huszar: simultaneïstische-mechanische dansbeelding, en Theo van Doesburg, a-dadaïst, opent den avond met een inleiding, getiteld: Dadasofie.



"Zonder persoonlijk de dadaïstische beginselen te zijn toegedaan, meenen ondergeteekenden niettemin, dat het nut kan hebben ook hier ter stede een dergelijke demonstratie te doen plaats hebben, te meer, daar het verlangen bij velen levens is voor alle verschijnselen der moderne kunstrichtingen, hoe radicaal deze ook mogen zijn. Aldus de uitnoodigingen. " 

Er kwamen die avond zo'n 200 belangstellenden op de gebeurtenis af, terwijl er voor maximaal 125 personen plaats was. Dat leverde veel problemen op: er was geen vergunning voor deze voorstelling aangevraagd en er waren teveel mensen in de volgepakte zaal toegelaten, dus kwam de politie er aan te pas, werd er gediscussieerd met van Doesburg en de organisatie. Nadat van Doesburg de zaal had medegedeeld dat het programma pas kon doorgaan als alle staande mensen waren verdwenen, werd na negenen begonnen.


Kurt Schwitters snoot z'n neus:

"Terwijl dwars door de tekst van de inleider heen het geluid van 't bekende blaffende hondje werd voortgebracht, geaccompagneerd door de politiefluit van Tideman en het klaaglijke miauwen van een krolse kater, stond ineens de vriendelijk-ogende man naast Carlo Dinaux op, ontvouwde een zakdoek en snoot met trompetterend misbaar zijn neus. Nadat hij dit enkele keren had herhaald, vouwde hij de doek zorgvuldig dicht en liet een paar door merg en been dringende kreten horen, die het publiek op slag even deden verstommen. De man zonk weer rustig terug op zijn stoel en keek neutraal naar Van Doesburg die onversaagd doorging met het voorlezen van zijn "Dadasofie". Het auditorium had kennis gemaakt met Kurt Schwitters, maar hield het er vooralsnog op dat een willekeurige bezoeker in de ban van dada was geraakt."


bronnen:
-Woningbouwvereniging Rosehaghe
(dhr. M. Nelissen)
-Koninklijke Bibliotheek Den Haag
-literatuur:
 zie bij 'Geraadpleegde literatuur'
-internet


< terug naar de Inleiding