Den Haag


Op 10 januari vond de allereerste soirée van de Dada-veldtocht plaats in de Haagsche Kunstkring, die in die tijd gevestigd was in een van de de Grafelijke Zalen onder de Ridderzaal op het Binnenhof 8A.

De keuze hiervoor had wellicht ook te maken met het feit dat Vilmos Huszár een actief lid van deze vereniging was.
Theo van Doesburg opende de avond met een korte inleiding tot het dadaïsme en Kurt Schwitters las zijn bekende “Anna Blume” en zijn satire “Ursachen und Beginn der Grossen Glorreichen Revolution in Revon” voor.
De volgende dag stond in de Haagsche Courant een nogal negatief getinte recensie, terwijl Het Vaderland de voorpagina benutte voor een vermakelijk verslag van de soirée. De Haagsche Post van zaterdag 20 januari plaatste oa een artikel van Kurt Schwitters “ De zelfoverwinning van Dada”.


(Eerder al was een avond gepland voor 27 december 1922 die ook is doorgegaan. Van Doesburg sprak nadien over een 'proefavond' omdat Schwitters er nog niet bij kon zijn.)


28 januari en 3 februari traden Van Doesburg, Van Moorsel, Schwitters en Huszár op in de grote zaal van Diligentia, Lange Voorhout 5.

In het Algemeen Handelsblad van 29 januari stond een uitvoerige beschrijving van de matinée evenals in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 30 januari: beide recensies waren redelijk positief: niet alles kon op begrip rekenen, maar het publiek was in opperbeste stemming.

 


Het Vaderland
van 4 februari 1923:


"DADA IN DILIGENTIA
Gisteravond hebben we in Diligentia nog eens een Dada-avond gehad. Ditmaal was de zaal maar driekwart vol. We hebben weer gebruld en gekrijscht, onverschillig of Heine gereciteerd werd, Mendelssohn gespeeld werd, of onzin uitgestooten. We hebben Huszar voor Landru uitgescholden, van Doesburg voor Broekhuys en diens vrouw gemeenheden toegevoegd. We hebben gehuild en gejengeld, geblèrd en stommiteiten verkocht, kroegbazen- en boksergrappen gelanceerd, alles om maar te bewijzen dat wij niet dada zijn. We hebben zóó’n helsch en volmaakt onzinnig spektakel gemaakt, dat het nu wel zonneklaar bewezen is, dat wij nog bij ons volle verstand zijn; dat is dus in orde. We hebben Kurt Schwitters hopjes geoffreerd, “we gaan nog niet naar hois” gezongen, op horentjes geblazen en tegen elkander gezegd, dat die Dadaïsten toch stapelgek zijn."

 
 

12 maart  was er een
Dada-soirée  in Lili Green's Dansinstituut, Parkstraat 73.

 
Het Vaderland van 13 maart 1923:

"De heer en mevrouw Van Doesburg, Kurt Schwitters en Vilmos Huszar hebben gisterenavond in de Haagse Dansschool van Lili Green in de Parkstraat 73 voor een klein, maar belangstellend publiek een lezing gehouden over moderne kunst. In eerste instantie ging het er om de misverstanden uit de weg te ruimen, welke ontstonden door de krantenverslagen naar aanleiding der eerdere soirees.
Vervolgens werd er een poging ondernomen om het publiek door verklaring en voorbeeld nader te brengen tot de kunst van zijn tijd: Van Doesburg sprak over de "ontwikkeling der nieuwe kunstrichtingen van impressionisme tot dadaisme", Schwitters sprak over "Merz en Dada", de "bouw van abstracte gedichten" en het "wezen van den voordracht", terwijl Pétro van Doesburg niet haar DADA-repertoire, maar "Honegger, Poulenc, Hauer, Ruyneman en Wellesz e.a." ten gehore bracht."
 

De dansschool van Lili Green bevond zich aan het eind van de begroeide strook naast de nieuwbouw in het midden van de foto hierboven. Zie ook het kaartje.
 


28 maart hield van Doesburg in het Volksgebouw  Prinsengracht 71/73,
een lezing voor de Sociaal-Anarchistische Jongeren-Organisatie (S.A.J.O.). Zijn lezing had niet als doel het dadaïsme van het publiek op te wekken, maar juist om "misverstanden" uit de weg te ruimen, ontstaan door de krantenverslagen van de soirees.
Daarnaast stelde Van Doesburg een andere brandende kwestie aan de orde: zijn afwijzing van expliciet politieke (propaganda) kunst. Begin maart had hij zich in zijn manifest Anti-tendenzkunst nadrukkelijk uitgesproken tegen politieke bemoeienis met de kunst en tegen zogenaamde "proletarische kunst". Uit een verslag van de avond in het anarchistische tijdschrift De Vrije Socialist valt af te leiden, dat Van Doesburg, voordat hij met zijn lezing begon, eerst dit manifest voorlas.

De redactie van De Vrije Socialist gaf op 10 april een uitgebreid verslag van de lezing. Theo van Doesburg kreeg veel waardering voor de aandacht die hij besteedde aan de relatie tussen politiek en kunst. Het publiek moest het bij hem ontgelden vanwege” een geest van kleinburgerlijke reactie” die van Doesburg in de zaal voelde.

De inleider Jacques Krul sloot zich enigszins aan bij deze observatie. De anarchisten waren volgens hem eigenlijk de voorlopers van Dada geweest en politiek links moest leren “een frissche, radicale kunst” te waarderen.




bronnen:
-Haags Gemeentearchief
-Haagse Kunst Kring (dhr J.Wijten)
-Koninklijke Bibliotheek Den Haag
-literatuur:
 zie bij 'Geraadpleegde literatuur'
-internet
-Met dank aan:
 Dhr.P.Zevenhuizen
 Dhr.R.Storm

 
 


< terug naar de Inleiding